|
|
Het volgende verhaal geeft een antwoord op de vraag hoe Klimmen aan zijn naam is gekomen. Historisch heeft het echter geen enkele waarde want het is slechts een vertelsel dat sinds mensenheugenis van vader op zoon is doorgegeven. Waar gebeurd of niet, in een tijd waarin elektriciteit nog moest worden uitgevonden en het enige vertier bestond uit het vertellen van spannende verhalen, moet het voor onze verre voorouders een regelrechte topper zijn geweest!
Het late licht van een warme zomerdag hing over het heuvelland. De schaduwen van de nader
sluipende avond trokken reeds door het onderhout bezijds de smalle, bochtige weg, die half
verborgen uit het landschap omhoog kwam. Hier en daar brak het rossig licht door het loof
van beuk en eik en toverde grillige plekken op het mulle wegdek. Het was nog drukkend,
geen windje bewoog het gebladerte en geen vogel had lust in zijn avondlied. Twee naderende
reizigers waren nauwelijks in deze stilte hoorbaar. Hun ruw-lederen sandalen klonken
gedempt in de droge bovenlaag, waar bij iedere stap wat fijn stof traag omhoog dwarrelde.
Een oudere man liep voorop. Aan de gordel rond zijn grof linnen wambuis hing een plat
stenen kruikje en een jachtmes. Achter hem probeerde zijn jongere metgezel zijn schreden te
richten naar zijn voorganger. Hij droeg dezelfde kleding en had bovendien een korte bijl en
een knapzak op de rug. Beiden omklemden een stevige reisknuppel. Ongeveer een half uur
geleden waren ze in een laagte een voorde gepasseerd, waar de zomerdroogte nauwelijks het
lauwe water over hun vermoeide voeten liet spoelen. Daarna was de weg steeds meer gaan
stijgen. Reeds enkele malen had de oudste in dit laatste half uur gedurende enkele
ogenblikken stilgestaan, zich het zweet met zijn halsdoek afvegend en een slok water uit de
kruik nemend. Daarbij namen zijn ogen de omgeving nauwlettend op, als zocht hij in zijn
herinnering naar herkenningspunten. De jongste keek hem dan zwijgend aan. Hij wist,
ofschoon hij hier geheel onbekend was, dat de ander een nachtverblijf zocht, want de avond
zou nu gauw vallen. Enige tijd later stond de oudere opnieuw stil; links was nu een
vochtige laagte zichtbaar waarboven de avondnevel dreef. Over dit veld, met hier en daar
wat verspreide struiken, beroerde hen een zachte avondwind die zo pas aan zijn onbekende
reis was begonnen en die nu verkwikkend om hun slapen streek na de bloedwarme bladertunnel
achter hen. Van ver klonk het geluid van blatende schapen en 't geblaf van een hond.
Zij naderden een nederzetting. Zonder een woord te wisselen versnelden zij de pas. De weg
voor hen leek even te aarzelen, dan, met een plotselinge, nijdige klim liep hij stijl naar
boven. De bomen en struiken werden nu op tal van plaatsen onderbroken en gaven een doorkijk
op de kleine akkers die tegen de heuvel lagen.
De weg voor hen leek te eindigen in de donkere vormen van een groep strooien daken, die
tegen de avondlucht afstaken. Een scherpe geur van brandend hout kwam de reizigers tegemoet.
De oudste snoof hoorbaar, door de rook en de verdubbelde krachtsinspanning, bij deze
laatste klim. Daardoor kwam het dat zij eerst nu de geluiden van zware mannenstemmen
hoorden en even later het geschrokken blaffen van vele honden, die hun late komst
aankondigden. Toen hun gestalten plotseling afstaken binnen de lichtkring van een groot
vuur, stokten de stemmen van een kleine menigte, welke daar verzameld was. Er viel een
stilte. De honden kropen, na een scherpe vermaning, grommend maar waakzaam, naar donkere
hoeken en een zwijn nam, nu duidelijk hoorbaar, een bad in de nabij gelegen poel.
Vermoeid leunend op hun stok namen de beide reizigers het tafereel in zich op: een dichte
kring van mannen zat geschaard onder een grote lindeboom met in hun midden, op een lichte
verhoging, de witgebaarde raad der ouden. Kennelijk waren ook de buurtschappen uit de
omgeving present want het getal der aanwezigen overtrof verre het aantal huizen, die met
hun vers witsel, zwarte balken en donkere holten van openstaande halve deuren, als
romantische decors rond dit plein geschaard stonden. Even buiten de grote kring van mannen
zaten prachtig uitgedoste vrouwen en nieuwsgierige jongelingen, die, onmondig als ze nog
waren, de gesprekken als toehoorders oplettend volgden, terwiji zowaar nog kleine kinderen
door het gras kropen op jacht naar krekels en vuurvliegjes.
De vreemdelingen voelden dat hun komst de geslotenheid van deze volksgemeenschap had
verstoord. Als om zich te verontschuldigen richtte de oudste zich, terwijl de jongere wat
verlegen voor al die ogen achter diens rug verscholen bleef, tot al die hoofden, die
afwachtend, verrast en hier en daar ook achterdochtig naar het tweetal gericht waren en zei
gemoedelijk de kring rondkijkend: "Hè, hè, dat is klumme....!"
Nog even bleef men onbewogen bij deze woorden, die in hun eigen taal uitgesproken werden.
Dan gleed er plotseling een glimlach over het tanige gezicht van de oudste der wijze mannen,
hij ging staan en zei: "Beste allebei! Zeet wilkom in oos midde. Ver huere aan eur sjpraok,
dat der sjtamverwante zeet. Ver zind blie uch hie te höbbe en ver zulle uch auch gèèr aete
en e bed vuer de nach versjaffe." Vervolgens wendde hij zich tot de kring der mannen: "Huert
ger wat dizze onbekinde zaet? 't is klumme om tot hie te komme. Wat zou ver dan nog langer
kalle en prakkedinke uever enne naam vuer ozo heimet op en om dizze berg. 't Is al der
driejde daag dat ver bie-ein zind. Laote ver noe oze hertog melde dat 't KLUMME is en zal
blieve zoelang der berg d'r is en dat vieër zoe geneump wille waere van noe en ten alle
tieje!!
En om zijn woorden kracht bij te zetten sloeg hij met een zware stenen hamer op de tafel,
waarna een instemmend en daverend hoera over het plein klonk. Daarna werden de voorzitter
en de twee reizigers op de schouders geheven en de kring rondgedragen.
Even later vertrokken er reeds mannen, vrouwen en kinderen in de richting van Craubeek en
andere buurtschappen. Velen ook nodigden de vreemdelingen gastvrij uit ter overnachting.
Nu eerst begrepen de reizigers, dat de raad der ouden een naam voor deze plaats had gezocht.
In de loop der tijden, lang nadat de alleroudsten zich nog konden herinneren dat hun
voorouders hier hun zwerven en rondtrekken hadden opgegeven, was de nederzetting met zijn
buurtschappen allengs tot een mankracht van betekenis uitgegroeid, zodat de hertog, tot
wiens gezag deze gebieden behoorden, besloten had, ter betere onderkenning, hen een naam te
geven.
Toen een grote volle maan enkele uren later aan de stille mat-blauwe hemel hing, vielen
haar bleke stralen op het slapende "Klumme". De elzen- en berkenmeien, die enkele dagen
tevoren ter gelegenheid van het zonnefeest waren geplant, stonden met hun half verwelkt
loof roerloos als wachters rond het dorpsplein.
Boven de warme as dansten ontelbare muggen in zwermen rond en vermengden zich de laatste
brandgeuren met die van vele kruiden, die overal groeiden, tot een heerlijke melange.
De zomernacht vierde uitbundig feest over het dorp, dat een naam gekregen had...
Bron: 968-1968 Klimmen - Emile Brouwers
|
|