|
|
Plaats de cursor op de foto van uw keuze voor meer informatie...![]() Ook de heren van Valkenburg maakten van het banrecht gebruik. Gelegen aan de snel stromende Geul bouwden zij vanzelfsprekend watermolens. Ze maalden niet alleen voor zichzelf maar dwongen ook o.a. de Klimmenaren daar te laten malen, hetgeen hun natuurlijk geen 'windeieren' opleverde.
Het maalloon werd in natura betaald. Volgens de bankrechten van ons dorp uit 1471 bedroeg het maal- of scheploon 1/16e deel van het te malen graan. Het afhouden geschiedde met het 'moeltervaet' dat de mulder verplicht
was op elk voogdgeding 'te meten'. Zestien keer de inhoud van deze molter vormde een Maastrichts-vat.
Nam de molenaar de juiste maat dan was er niets aan de hand, maar liet hij bv. zijn mouw meescheppen, dan stond hem een zware straf te wachten.Volgens de reeds genoemde bankrechten mocht de gedupeerde dan het molenpaard "bynden aen eenen tuyn, ende stecken hem eenen schouff voor, ende laeten het alsoe daer staen tot op den derden dach, ende bringht der moelener hem daerbinnen syne maete nyet, soe sal hy dat peerdt voor schepenen brengen ende laeten sich leeren, wy men daermet halden sal. Soe sullen hem die schepenen leeren dat hij dat peerdt vercoupen sal ende maegh voor syn gerichtscoste, ende voor 't gebreck van sijn meel, ende sal dat den moelener doen kondigen met den geswoeren Boede der Bancke van Clemmen, soe maegh der moelener dat peerdt loesse binnen den nesten dry daegen, off hij maegh 't peerdt verloeren laeten". De mulder was verplicht twee keer per week 'te vaeren, ofte ryden'. Was het koren niet binnen drie dagen gemalen, dan stond het de eigenaar van het graan vrij om een andere molenaar op te zoeken. Toen de dwangmolen te Valkenburg in 1759-1760 aan reparatie toe was, werden de landbouwers van Schimmert, Hulsberg en Klimmen opgeroepen om te 'corweyden' (=zekere verplichting vervullen jegens een heer, een werk of last ten dienste van een heer waaraan men zich niet mocht onttrekken.). De landbouwers van Klimmen voelden hier echter niets voor en ze verzochten dan ook de burgemeesters „met volle magt en geweld" in de oppositie te gaan. Deze voldeden aan hun verzoek en namen Joh. Kinkert als advokaat. In afwachting van schadeloosstelling werden de hand- en spandiensten toch uitgevoerd. Op 4 juli 1759 werd ook de proost van het klooster Sint Gerlach gevraagd om te helpen en wel 'voor deese rijze en met de karre van den Drieshoff (Heek) deese vrachten te helpen doen'. Of de proost aan dit verzoek heeft voldaan is niet bekend. Het moet voor onze voorouders wel een hele opluchting zijn geweest toen de Franse wetgeving in 1798 een streep trok door het ban- en windrecht. Eindelijk waren ze vrij hun koren te laten malen waar ze zelf wilden. Op 16 Juli 1878 gaf de gemeenteraad aan de weduwe Van Driel toestemming om een windmolen te bouwen. Het betreffende raadsbesluit:
"ln aanmerking nemende dat door het in werking stellen van de nieuwe op te bouwen wind-graanmolen aan den Overhekerweg, op de percelen aldaar gelegen in de gemeente Klimmen en bij het kadaster bekend Sectie C. No. 591 en deel van No. 592, door Anna Gertrudis Stienen, weduwe van Godefridus van Driel, landbouwer, wonende te Nederweert; schaden en hinder kan worden toegebracht:
Is door voornoemden raad noodzakelijk geoordeeld deze inrigting op eenen behoorlijken afstand van genoemde weg te doen verwijderen ter voorkoming van ongelukken die door het schrikken van dezen zouden kunnen veroorzaakt worden.
Besluit.
In overleg met voornoemden den afstand te bepalen op 35 meters, gemeten uit het middenpunt der te bouwen wind-graanmolen tot aan den rand van den kunstmatig verbeterden Overhekerweg.
Aldus gedaan in de vergadering van de Gemeenteraad van Klimmen, den 16 July 1878".
In 1916 werd de familie Braakhuis eigenaar van deze beltkorenmolen. Op 27 december 1941 rukte een korte maar hevige storm de wieken af die daarna nooit meer werden aangebracht.
Tijdens de laatste dagen voor de bevrijding, in September 1944, was de wiekloze molen door de terugtrekkende Duitse troepen bezet en deed de hoog gelegen molen dienst als uitkijkpost. Door de beschieting ontstond er in de achterkant een groot gat.
Tot 1 april 1966 bleef, via een elektrische installatie, de molen in bedrijf.Op de Overheek staat nog steeds de naakte, stenen romp. Het is een stille getuige van een verdwenen beroep in ons dorpje... De molens van Limburg, P.W.E.A. van Bussel Verder een woord van dank aan Dhr. Alfred Disch, historicus te Maastricht
|
|||||