Van de volksgebruiken, die op het einde van de negentiende eeuw nog in zwang waren, zijn de meesten
verdwenen. Zo werden in elk huis, enkele dagen voor nieuwjaar, wafels gebakken en schreven de kinderen op een vel papier, versierd met
krullen en bloemen, een nieuwjaarsbrief aan hun ouders en familie. Als de klok op
oudejaarsavond twaalf sloeg, rolden de kamerschoten over het dorp.
Op nieuwjaarsdag wensten de buren, familie en vrienden elkaar
een "Zalig Nieuwjaar". Was men de ander vóór met het uitspreken van de heilwens, dan had
deze verloren en moest trakteren. De jeugd amuseerde zich bijzonder op deze dag.
Zij trok langs de huizen en riep daarbij
Zalig Nujaor,
der kop vol haor,
der mond vol teng
en 'n waffel i gen heng!
Om dit laatste, de wafel, was het hun natuurlijk te doen.
Met Driekoningen werd na het
avondeten de koningskoek aangesneden en rondgedeeld. Degene die in zijn stuk de koningsboon
(een koffieboon!) aantrof was koning(in) en werd gehuldigd met een ereplaats aan tafel,
een extra stuk koek, een lied en een papieren kroon.
"Met Sint-Sebastiaan komen de harde koppen aan", zegt een oud Vlaams spreekwoord, hetgeen
betekent dat rond de feestdag van deze heilige, de winter begint te strengen. Maar ondanks
het winterweer zijn de inwoners hun Sint-Sebastianuskermis tot op heden blijven vieren. Zou
echter, rond 1900, de parochieherder zijn zin hebben gekregen, dan was
toentertijd deze kermis afgeschaft. Doch de Klimmenaren, blij met het feest, stonden pal voor
het behoud er van en wat de pastoor ook probeerde, het was alles tevergeefs, de inwoners van ons dorp
bleven koppig.
Enfin, om kort te gaan, toen de koster op Sebastiaansdag naar de kerk ging om het
(verslapen) Angelus te luiden, stonden aan de kerkdeur al verschillende kerkgangers op hem
te wachten. En plezier dat ze hadden! Naderbij gekomen zag hij in hun midden de met pijlen
doorschoten heilige op z'n sokkel staan hoopvol kijkend naar het plakkaat op zijn borst met
de woorden: Vergeet mij niet!
Gevolg: nooit was een feestpredikatie van de pastoor zo kort en duurde de
Sint-Sebastianuskermis zo lang als toen.
De 15e maart was de boerenverhuisdag. De "halfer" of pachter verliet dan de hoeve als het
pachtcontract niet werd vernieuwd. Zo'n verhuizing van inboedel, werktuigen, vee en
voorraden bracht de hele buurt op de been. Op de verhuisdag knalden de zwepen en trok een
lange versierde karavaan van karren en wagens langs de wegen.
Met de vastenavond trok menige "mom" (vooral van buiten het dorp), voorzien van een lange
stok met een scherpe punt, langs de huizen om spek in te zamelen. Het ontvangen spek werd
aan de stok geregen, de andere gaven in natura gingen in de zak. De kinderen, die de
volwassen "mom" met de rommelpot vergezelden, zongen daarbij:
Hie kom ich mit der rommelpot
Gaef mich e sjtök van de verkesvot
Laot mich neet zoë lang hie sjtao
Want ich mot nog wie-jer gao
Laot 't mets mèèr zinke
Bis in de vette sjinke
Sjniet mèèr aan de lange
Laot de korte hange
Es de lange gaete zië
Zulle de korte waal baeter zië
In de negentiende eeuw bestond er in ons dorp geen Raad van Elf en trok ook geen stoet door de
straten. Het 'mommegezich" van de kinderen bestond veelal uit een stuk glasgordijn. Het
feest werd vooral op straat gevierd.
Op de eerste zondag van de vasten (Fakkelzondag) liep
de jeugd met strofakkels door de boomgaarden en riep daarbij:
Vink, vonk, fakkel,
Zoë mennige vonk,
Zoë mennige appel.
Dit gebruik werd rond 1880 afgeschaft.
Tot in de laatste helft van de negentiende eeuw was ook in Klimmen het Meifeest gebruikelijk.
De avond van deze dag, 30 april, heette toen Meinacht. De organisatie van het feest was in
handen van de jonkheid. De jongelingschap vormde de meicompagnie welke uit verschillende
secties (gehuchten) bestond. Met al de beschikbare paarden reed de meicompagnie, onder
aanvoering van de kapitein van de jonkheid, naar een bos om de mei-den te halen. Na een
vrolijke rondrit door het dorp reed de lange stoet onder luid applaus het Vrijthof op waar
de meisjes van de jonkheid, met manden vol bonte slingers en rozen, klaar stonden om de
dennetop te sieren. Was dit gebeurd dan kwam de meicompagnie weer "in 't geweer" om de boom
met veel ceremonieel te planten. Stond hij onbeweeglijk recht, dan werden de trektouwen
door de boomklimmer los gegooid en volgde de meidans (rondedans om de mei-den). Na deze
dans volgde een ander hoogtepunt van deze meinacht, nl. het uitroepen van de meikoningin en
van "de meilenen". Elke jongen kreeg z'n meiliefste.
De eerstvolgende zondag na de
hoogmis, werden "de meilenen" door de jonkers ingetrokken, d.w.z. de jongens vroegen de
meisjes mee naar de herberg te gaan voor een gezellige dronk. De kapitein van de jonkheid
begeleidde de meikoningin. De sectie Craubeek werd in 1872 opgeheven, de sectie dorpskom in
1873.
Van 1 mei tot Sint Gilles (1 september) werd op de boerderij tussen 12 en 14 uur niet
gewerkt, dan was het tijd om te "ungere" (rusten).
De bronkkermis was het grootste en gemeenschappelijkste feest van het jaar. Reeds enkele
weken van te voren kwamen "de Hedsjers" (inwoners van Heerlerheide) met zand langs de
deuren. Ze verkochten het per emmer en het werd o.a. gebruikt om de lemen vloeren te
bestrooien.
Tijdens het "beieren" klik hier door de jonge mannen en het "inslaan" van de kermis door de
schutterij op zaterdagavond, werden de "kamers" geschoten en de "meien" (groene takken)
voor de huizen aan de bronkweg geplant.
Op bronkzondag (1880) was de eerste mis om half vijf en de tweede om half zes. Daarna trok
de processie uit naar Weustenrade, Ter Vieren en Retersbeek of naar Craubeek, Termoors,
Ransdaal, Koulenberg, Walem, Dolberg en Kruisboom. Na afloop van de omgang werden de
kinderen door de pastoor op limonadesiroop en koekjes onthaald.
Naargelang de welstand van de familie bestond het kermismenu uit een of meer gerechten. Wat
deze menu's praktisch allen gemeen hadden was de lange braadworst en de blauwe pruimen.
De grootste attractie op kermismaandag was het 'sjtörme' klik hier van de schutterij op de grote poel.
Op kermiswoensdag werd de kermisman gemaakt, rondgedragen door het dorp en aan de grote
poel verbrand, waarmee tevens de kermis werd uitgeluid.
Na de laatste schooltijd voor de grote vakantie trok de schooljeugd zingend met de
versierde tak (vakantie-mei) door de straten.
Wanneer in de oogsttijd de laatste wagen met tarwe naar de boerderij gereden werd stond
boven op de laatste schoof een versierde meitak. Na aankomst op de boerderij was er feest
met vla en drank.
De dag van Sintermeis (St.-Remigius), 1 oktober, patroon van de kerk, werd als een kleine
kermisdag gevierd. Het was ook de inhuurtermijn van de knecht en meid. Sintermeis maken =
betrekking verlaten.
Op de vooravond van Sint Maarten brandden, ter ere van deze heilige, in alle buurtschappen
vreugdevuren. De kinderen maakten van een uitgeholde biet hun verlichte lampion. Dit
jeugdfeest hield op te bestaan rond 1880.
Van de volksgebruiken, die in de laatste helft van de negentiende eeuw nog sterk leefden, zijn
er nu niet veel meer over. Sommige hadden geen bestaansrecht meer, andere werden domweg
verboden. Dit laatste is jammer, want door het verbod verdween een stukje vreugde uit het
volksleven van groot en klein. Laten we daarom de nog bestaande in ere houden.
Langer levend gebleven zijn de vele volksverhalen uit de jeugd van onze betovergrootouders.
Apropos, kent U de vertellingen nog van de alvermannekes van Craubeek, de man met de haak
(haokeman) die in elke poel op de loer lag, de bouwoffers en de geheimzinnige branden, de
herder van Walem die zijn schapen in hooihoppers kon veranderen, de weerwolf van Termaar en
de vuurman van de Koulen, de achterstevoren beslagen paarden, de schat van het Heidensgraf
te Ransdaal, het rattenfestival op Retersbeek, de duivel bij het kaartspel aan het
Barrier, de muziek in de lucht en de verzonken klok in 't Klokkeputje van de Slakkenbeemd?
Hebt U die klok in de kerstnacht wel eens horen luiden ?
Urenlang zat men vroeger rond de open haard, aandachtig luisterend naar dergelijke
verhalen, die nog boeiender werden doordat het vertrek slechts sober verlicht was door het
brandend hout. Deze geheimzinnige halfschemering vergrootte de spanning en het knetterend
vuur hielp als het ware mee de gesproken woorden te onderstrepen...
Bron: 968-1968 Klimmen - Emile Brouwers