Zij liggen daar goed... |
![]() op den heuvelkop, en ten allen kant van goudgelend graan den golvenden brand. Zij hielden van zotternij en van lach, nu rusten zij uit bij een volk, dat dag aan dag weer zingen en dwazen mag. Waar het Angelus timpt in den morgenstond waar door klokken met bronzen en zilveren mond Gods glorie bij dag en nacht wordt verkond. Waar nog heiligen waren uit vroegeren tijd waar de duivel het duizendste jaar verbeidt, de heksendans onder hongerden reit. Waar van iederen landweg, van elke straat een wondere sage geschreven staat, een duister vertelsel van liefde of haat. Waar de sproke om oude kasteelen bloeit, waar de wilde jacht, als de stormwind loeit over bosch en van langs de wolken stoeit. Zij liggen daar goed in dat oude land, waar de nieuwe tijd toch ten allen kant ontluikt met geweld van gedaver en brand. Waar Europa's grootste kolenkuil gaapt, waar men reukwerk en wijn uit gesteente raapt en bliksem uit eeuwige traagheid kaapt. Waar de droom van 't verleden wel bleef bewaard, al wordt ook de drift van het komende aanvaard; waar de Hemel vereenigd lijkt met onze aard. Ze liggen daar goed in het wondere land, waar ieder graf vond een dankbare hand, die bloemen strooit op het blanke zand. Waaronder zij rusten tot ruimte en tijd verbloeien in Liefde en Eeuwigheid. Math Kemp, 27 oktober 1946 |