Zij liggen daar goed...


Foto: Lieske Leunissen

Zij liggen daar goed in het Limburgsche land,
op den heuvelkop, en ten allen kant
van goudgelend graan den golvenden brand.

Zij hielden van zotternij en van lach,
nu rusten zij uit bij een volk, dat dag
aan dag weer zingen en dwazen mag.

Waar het Angelus timpt in den morgenstond
waar door klokken met bronzen en zilveren mond
Gods glorie bij dag en nacht wordt verkond.

Waar nog heiligen waren uit vroegeren tijd
waar de duivel het duizendste jaar verbeidt,
de heksendans onder hongerden reit.

Waar van iederen landweg, van elke straat
een wondere sage geschreven staat,
een duister vertelsel van liefde of haat.

Waar de sproke om oude kasteelen bloeit,
waar de wilde jacht, als de stormwind loeit
over bosch en van langs de wolken stoeit.

Zij liggen daar goed in dat oude land,
waar de nieuwe tijd toch ten allen kant
ontluikt met geweld van gedaver en brand.

Waar Europa's grootste kolenkuil gaapt,
waar men reukwerk en wijn uit gesteente raapt
en bliksem uit eeuwige traagheid kaapt.

Waar de droom van 't verleden wel bleef bewaard,
al wordt ook de drift van het komende aanvaard;
waar de Hemel vereenigd lijkt met onze aard.

Ze liggen daar goed in het wondere land,
waar ieder graf vond een dankbare hand,
die bloemen strooit op het blanke zand.

Waaronder zij rusten tot ruimte en tijd
verbloeien in Liefde en Eeuwigheid.

Math Kemp, 27 oktober 1946